Maarten de Jongh’s Natuurplaten nr. 3 – Insecten

Serie: Maarten de Jongh’s Natuurplaten
Plaat: Nr. 3 – Insekten
Uitgever: De Ruiter BV, Gorinchem
Tekenaar: Henk Wittenberg

Insekten – verscheidenheid, ontwikkeling en leefwijze

Deze schoolplaat Insekten vormt nummer 3 van Maarten de Jongh’s Natuurplaten, uitgegeven door De Ruiter BV in Gorinchem. De plaat werd getekend door Henk Wittenberg en geeft een rijk geïllustreerd overzicht van verschillende insecten, hun ontwikkeling en hun plaats in de natuurlijke omgeving.

De historische titel op de plaat luidt Insekten, met de destijds gebruikelijke spelling met een k. Tegenwoordig wordt het woord als insecten geschreven. Bij de registratie van de schoolplaat blijft de oorspronkelijke titel vanzelfsprekend behouden.

Een grote verscheidenheid aan insecten

De plaat is opgebouwd uit verschillende kleinere voorstellingen waarin uiteenlopende insecten worden getoond. We zien onder andere vlinders en hun rupsen, kevers, libellen, sprinkhaanachtige insecten en andere vertegenwoordigers van deze omvangrijke diergroep.

Henk Wittenberg heeft de dieren niet simpelweg in rijen naast elkaar geplaatst. Veel insecten bevinden zich tussen planten, op bladeren, bij bloemen of in andere herkenbare leefomgevingen. Daardoor krijgt de leerling niet alleen een indruk van hun uiterlijk, maar ook van de plaatsen waar insecten kunnen worden aangetroffen.

Dat is kenmerkend voor de serie. De natuur wordt zoveel mogelijk als een samenhangend geheel gepresenteerd.

 

Van rups tot vlinder

Een opvallend onderdeel van de plaat is de aandacht voor de ontwikkeling van vlinders.

Verschillende stadia zijn afzonderlijk afgebeeld. Daarmee kon tijdens de natuurles worden uitgelegd dat het uiterlijk van een insect gedurende zijn leven sterk kan veranderen. De overgang van rups via pop naar vlinder behoort tot de duidelijkste voorbeelden van volledige gedaanteverwisseling in de dierenwereld.

Voor het klassikale onderwijs was zo'n opeenvolging van beelden bijzonder geschikt. Een proces dat zich in werkelijkheid over een langere periode voltrekt, kon op één schoolplaat gelijktijdig worden bekeken.

De leerling hoefde zich de verschillende stadia daardoor niet uitsluitend voor te stellen: ze stonden zichtbaar naast elkaar.

 

Libellen en hun ontwikkeling

Ook libellen hebben een duidelijke plaats op de schoolplaat. De volwassen dieren zijn met hun lange lichaam en twee paar vleugels goed herkenbaar.

De aanwezigheid van verschillende ontwikkelingsvormen biedt de mogelijkheid om te laten zien dat ook bij deze insecten het leven niet uitsluitend bestaat uit het opvallende vliegende stadium dat we boven sloten en plassen waarnemen.

Daarmee richt de plaat de aandacht niet alleen op herkenning, maar ook op de levenscyclus van het dier.

 

Insecten en planten

Planten vormen op vrijwel de gehele plaat een belangrijk onderdeel van de achtergrond. Dat is meer dan decoratie.

Insecten leven immers in nauwe relatie met planten. Ze gebruiken planten als voedselbron, rustplaats, schuilplaats of plaats om eitjes af te zetten. Bloemen en insecten worden eveneens met elkaar verbonden.

Door insecten tussen bladeren, stengels en bloemen weer te geven, kon de onderwijzer dergelijke relaties tijdens de les bespreken zonder dat daarvoor een afzonderlijke afbeelding nodig was.

De schoolplaat nodigt daardoor uit om niet alleen te vragen: welk insect is dit?, maar ook: waar leeft het en wat doet het daar?

 

Een ondergrondse blik

Interessant is ook dat Wittenberg niet uitsluitend laat zien wat boven de grond zichtbaar is. Op een deel van de plaat wordt als het ware in de bodem gekeken.

Daar bevinden zich verschillende dieren en ontwikkelingsstadia die normaal aan het oog onttrokken zijn. Door de aarde in doorsnede weer te geven, wordt een verborgen leefwereld zichtbaar gemaakt.

Dit is een beproefd didactisch middel binnen natuurhistorische illustraties: de illustrator kan iets tonen wat een leerling buiten niet gemakkelijk tegelijkertijd kan waarnemen.

De schoolplaat biedt daardoor letterlijk een blik onder het oppervlak.

 

Insecten in verschillende levensstadia

Door de gehele plaat heen is duidelijk dat Henk Wittenberg niet alleen volwassen insecten wilde afbeelden.

Eieren, larvale stadia, rupsen, poppen en volwassen dieren maken duidelijk dat insecten gedurende hun levenscyclus verschillende vormen kunnen aannemen.

Juist voor jonge leerlingen is dit een belangrijk biologisch inzicht. Een rups en een vlinder lijken uiterlijk nauwelijks op elkaar, maar behoren tot één levenscyclus. Hetzelfde principe is bij andere insectengroepen op andere manieren zichtbaar.

De plaat maakt dergelijke veranderingen begrijpelijk door ze naast elkaar te presenteren.

 

Henk Wittenberg als illustrator

Onderaan de oorspronkelijke schoolplaat wordt Henk Wittenberg expliciet als tekenaar genoemd.

Voor Insekten koos Wittenberg voor een combinatie van natuurgetrouwe dierillustraties en kleine scènes. Zijn insecten zijn voldoende gedetailleerd om belangrijke uiterlijke kenmerken zichtbaar te maken, maar tegelijkertijd helder en kleurrijk weergegeven zodat ze ook binnen een klassikale wandplaat goed herkenbaar blijven.

Bijzonder effectief is zijn gebruik van verschillende schaalgroottes. Kleine dieren kunnen groter worden weergegeven dan zij in werkelijkheid ten opzichte van hun omgeving zouden zijn. Daardoor worden lichaamsvormen en details zichtbaar die vanuit de achterste rijen van een klas anders nauwelijks te onderscheiden zouden zijn.

Dat is geen poging om een fotografisch landschap te reconstrueren, maar een bewuste didactische manier van tekenen.

Wittenberg gebruikt bovendien planten, bodem en andere omgevingselementen om de afzonderlijke dieren met elkaar te verbinden. Hierdoor ontstaat geen droge verzameling insectensoorten, maar een levendig natuurbeeld.

 

Een plaat om klassikaal te onderzoeken

De rijkdom aan details maakte deze schoolplaat geschikt voor meer dan één lesonderwerp.

De onderwijzer kon een insect aanwijzen en vervolgens met leerlingen kijken naar lichaamsvorm, vleugels of poten. Daarna kon de aandacht verschuiven naar ontwikkeling, leefomgeving of voedsel.

Een andere les kon juist beginnen bij de vlinders en hun metamorfose, of bij insecten die in of rond de bodem leven.

Hiermee laat Insekten goed zien waarom de schoolplaat zo lang een effectief onderwijsmedium is geweest. Eén grote illustratie bevatte voldoende informatie om steeds opnieuw te worden gebruikt.

 

Van soortenkennis naar biologisch inzicht

Oudere natuurhistorische wandplaten waren vaak sterk gericht op het systematisch tonen en benoemen van soorten. Op deze plaat is herkenning nog steeds belangrijk, maar wordt duidelijk een stap verder gegaan.

De dieren worden gekoppeld aan ontwikkeling, gedrag en leefomgeving.

Daarmee past nr. 3 goed binnen de bredere opzet van Maarten de Jongh’s Natuurplaten. Ook op andere platen uit de serie worden biologische processen niet alleen beschreven, maar zoveel mogelijk in beelden uiteengezet.

Het kind moest niet uitsluitend leren welke dieren er bestaan, maar ook ontdekken hoe ze leven en veranderen.

 

Een rijk document van het Nederlandse natuuronderwijs

Tegenwoordig is Insekten zowel een aantrekkelijke natuurillustratie als een historisch onderwijsobject.

De plaat laat zien welke beeldmiddelen werden gebruikt om een ingewikkelde en buitengewoon diverse diergroep begrijpelijk te maken voor een klas. Vergroting, doorsneden, verschillende levensstadia en natuurlijke omgevingen worden binnen één compositie samengebracht.

Daardoor vertelt de plaat twee verhalen.

Het eerste gaat over insecten: hun enorme verscheidenheid, hun ontwikkeling en hun relatie met de omgeving.

Het tweede gaat over het onderwijs zelf: over een tijd waarin een grote kleurrijke plaat aan de wand een complete wereld voor een klas kon openen.

Nr. 3 – Insekten, getekend door Henk Wittenberg en uitgegeven door De Ruiter BV te Gorinchem, is daarmee een karakteristiek voorbeeld van Nederlandse educatieve natuurillustratie en een waardevol onderdeel van de geschiedenis van de schoolplaat.